Een alternatief reisverslag over Flix-bussen en criminelen met spatels

Het was binnen 12 uur dat Niek ging van:

“Ik ga niet meer mee” naar het boeken van een weekend Bratislava met z’n drieën.

Tussendoor zinnen als:

“Wat ik vind van mezelf? Ik zwem in zelfmedelijden. Dit is niet mijn jaar.”

En:

“Ik verwacht een vloedgolf van kosten voor de verbouwing.”

En een hele rits aan cliché antwoorden van ons, zoals:

“Je moet nu leven, niet over 20 jaar”

Niek is een standvastige jongen, maar als het gaat over eropuit gaan, is er weinig overtuiging nodig.

Weg

We boekten daarom de goedkoopste reis die we konden vinden: Bratislava. De hoofdstad van Slowakije, en dat was meteen alles wat we wisten. Rick vroeg in zijn kringen naar tips. “Bratislava, criminele stad. ‘s Avonds onveilig.” “Eens maar nooit weer.”

We kregen er zin in.

Het maakte ook weinig uit. We wilden weg. Weg van de verantwoordelijkheden, verbouwingen, verplichtingen, en onze andere vormen van existentiële moeheid. We waren al blij toen de datum vaststond, tegenwoordig toch het moeilijkste onderdeel van een weekend weg.

We wilden zon, niets, belevenissen. We wilden dat het spannend werd. Maar niet té.

Verder wisten we niet goed wat we zochten.

Het werd alles wat we zochten.

Ik ga hier geen uitgebreid verslag geven. Ik hou het bij: Bratislava was heerlijk. Fijne binnenstad, overzichtelijk, autoluw. Een ontzettend rustige stad. De mensen praten zelfs zachtjes. Geweldige cafés, overal plek, fijne prijzen. Leven van terras naar terras. Alleen maar mooie vrouwen. Beetje rondtuffen op elektrische stepjes langs de Donau.

Een spatel op je kop

Op vrijdagavond, Rick was uitgeschakeld, gingen Niek en ik op avontuur. De gebroeders Fomo. We willen dáár zijn waar het gebeurt, en we hadden het gevonden. In een verborgen binnenplaats vonden we een Zuid-Amerikaanse club. We dronken Cuba Libres onder de sterrenhemel en activeerden de Latinheupen in ons lange lompe lijf.

image.png

Het was net na een verwarrend optreden van een dansende man, dat we het Bratislava troffen waar we voor gewaarschuwd waren. De eerste kwam binnen. Lange bontjas, tattoos in de nek, traantje op de wang. We hadden genoeg Netflix gekeken om te weten: een tattootraan is een moord. Daarachter nog zo’n engnek. Daarachter een hele stoet foute vrouwen.

En dáárachter, onmiskenbaar, de leider van de groep. Langer dan wij. Met overal tattoos. Tattoos op plekken waar normaal wangetjes zitten, mouwen, haar, allemaal vervangen door permanente verminking. Een derde oog. Een spatel op zijn slaap. Ik wist niet voor hoeveel moorden dat stond, maar misschien wel welk moordwapen.

image.png

image.png

Daar verdween onze vrije geest. Onze lichamelijke expressie moest nu worden beteugeld –wij dansen groot(s)– en Cuba Libre knoeien over de buurman kon wel eens einde verhaal betekenen.

We schoven een paar meter op. Dat ging lang goed, tot hun bende steeds meer uitdijde. Het werd dansen met een schuin oog naar achter.

Wat ook opviel: de man kreeg groupies. Vooral Slowaakse jongedames, die elkaar aantikten, schoorvoetend naar de maffioso liepen, en vroegen om een foto. “Die zijn niet bang, deze gangsterliefjes.”

Een halfuur later was de zwaartekracht van de groep voelbaar op de hele binnenplaats. Ik had de nooduitgangen al bekeken.

Niek –nooit te verlegen voor een woordje met de locals– vroeg het aan een kleine Slowaakse: